De magie van Chinese geneeskunde

Dit artikel gaat over de zoektocht naar de roots van Chinese geneeskunde.   Een onderwerp dat menig discussie op gang brengt.  Al zeker als we het dan nog hebben over de magie ervan.  Want er is of mag natuurlijk helemaal niets magisch zijn aan die Chinese geneeskunde.  Het moet vooral wetenschappelijk zijn en verklaarbaar aan de hand van Westerse theoretische modellen.  Dat niet iedereen hier even blij mee is bevestigd ook Eric Marié1 – president aan het ‘Conseil Académique Francais de la medicine chinoise – die aanwijst dat het absurd is om Chinese geneeskunde te onderwerpen aan een methodologie die ontworpen is door en voor de Westerse geneeskunde.  Dit zorgt er niet alleen voor dat de Chinese geneeskunde zijn identiteit verliest maar dat onderzoekers ook niet gestimuleerd worden om alternatieve methodologieën te bedenken die dan wel compatibel zijn met de basis fundamenten van CM.

Deze dichotomie is echter een vrij recente ontwikkeling.  Het is pas sinds de 19e eeuw dat de theorie van micro-organismes tot stand kwam2.  Deze theorie werd het fundament van de Westerse Bio-Medicine.  Gezien de focus was dat deze micro-organismes de voornaamste oorzaak zijn van ziekte, werd de bestrijding of verwijdering van deze organismes een primaire doelstelling van de Westerse geneeskunde.  Zij is dus met name gericht op het verwijderen van ziekte en het toepassen van chirurgische ingrepen.  Islam N.3 erkent hierbij de stelling van Dhr. Marié door te zeggen dat de standaardisatie van de medische diagnose en behandeling – een kern aspect binnen de Westerse bio-geneeskunde – relatief ongelijk is met die van de Chinese geneeskunde.  Het Westen dient een standaard behandeling in te zetten voor een bepaalde groep van ziektes terwijl de Chinese geneeskunde – althans historisch gezien – deze standaardisatie niet dient te ondergaan omdat er uitgegaan wordt van de uniekheid van elk mens en situatie.  Dat verschil is echter historisch gezien geen gegeven.  Ervan uitgaande dat de Westerse geneeskunde zich doorontwikkeld heeft vanuit de Grieks-Romeinse traditie – een gegeven wat we terugvinden in het huidige gebruik van de Hippocratische eed – zien we dat Oost en West helemaal niet zo verschillend waren.  Jackson4 laat mooi zien hoe zowel de Aziatische, Indische, Egyptische en de Grieks-Romeinse kijk op ziekte en gezondheid gelijkaardige elementen omvatten.   Het gebruik van chirurgische ingrepen is bij allen bekend maar in alle tradities zijn deze ondergeschikt aan het preventieve karakter van de richtlijnen met betrekking tot gezondheid.  Denk hierbij aan richtlijnen qua dieet en bewegen, leefstijladvies en het in rekening brengen van de invloed van omgeving en seizoenen.

Het vinden van balans in de humorale of energetische huishouding zijn kenmerkend voor al deze tradities.

Zo kent men de balans van yin-yang in China, de 3 dosha’s in Ayurveda en bij de Grieken de  4 humores of lichaamssappen: gele en zwarte gal, bloed en slijm of phlegma.  Opmerkelijk is dat net zoals in de Chinese geneeskunde er een samenhang is tussen kleur, seizoen, organen, etc..  er ook in de Grieks-Romeinse traditie een link gemaakt werd tussen de 4 humores en de elementen (vuur, water, lucht en aarde); de primaire kwaliteiten (heet, droog, koud en nat);  emoties en de seizoenen.  Balans was immers een kernconcept in het verklaren van de capaciteiten van het individu, de maatschappij en de kosmos zowel als in het verklaren van ziekte en gezondheid.5  

Toch is het niet zo gek om ook het begrip magie te vermelden als we het hebben over Chinese geneeskunde en eigenlijk geneeskunde in het algemeen.  Zowel in de Oosterse als Westerse cultuur zien we dat geneeskunde altijd al religie, magie, alchemie en astrologie omarmt heeft naast het toepassen van kruiden, het gebruik van genezende rituelen of het offeren aan de goden, om ziekte en armoede op te heffen.6  Er is altijd al een centrale rol weggelegd voor ‘Spirits’7 – hoe je die ook wil vertalen.  Ten slotte gaat het in Chinese Medicine met name over Jing, Qi en Shen; waarbij Michunovic8 de Shen koppelt aan het emotionele, mentale, bovennatuurlijke en spirituele aspect van de mens.  Zoals Jackson9 zegt: “Hoewel de wetenschap de mechanismen van de onderliggende patronen met betrekking tot gezondheid en ziekte kan blootleggen zijn het de ‘menswetenschappen’ die effectief de betekenis van het ervaren van pijn en lijden kunnen blootleggen.”   De erkenning van het metafysische in de wereld is een kernconcept in de Chinese en Indische geneeskunde.10 Niet voor niets bestaat de Huang Di Nei Jing – beschouwd als één van de belangrijkste klassiekers binnen het vakgebied – uit twee delen; met name de Suwen (Plain Questions) en de Lingshu (Spiritual Pivots).

Dat betekent dat het spirituele een onmisbaar concept is als men het heeft over ziekte en gezondheid.

Zo gek is dat overigens niet.  In Egypte11 werden dokters vaak geschoold en tewerkgesteld binnen de ‘Healing Temples’.  Dat was niet alleen in Egypte zo maar zo ook in onze eigen Grieks-Romeinse traditie.  Hier was een gangbare zaak dat naast de seculiere behandeling de patiënt tevens kwam naar de ‘asklepion’ – naar de Griekse god van de geneeskunde Asklepius – op bezoek ging.  Ook in deze traditie de plaats waar artsen werden geschoold.  In beide culturen werd de patiënt geacht zijn behandeling te combineren met het maken van offers aan de goden.  De natuurlijke en holistische Hippocratische benadering was gemengd met magisch-religieuze, astrologische en volks-geneeskunde.12 Een mix – dat zoals vermeld – bijna alle culturen maakten in de manier van omgaan met ziekte en gezondheid.

Mensen bezochten – en bezoeken overigens nog steeds – een verscheidenheid aan beroepen om een oplossing te vinden voor hun probleem.  Tot deze beroepen behoorden: dokters, fysieke trainers, herbalisten, astrologen, vroedvrouwen, shamanen, waarzeggers, priesters, apothekers, kwakzalvers en charlatans.13 Van al dezen komen de Shamanen het meest prominent naar voren als zijnde de vroegste beoefenaars van geneeskunde.  Zo goed als alle bronnen vermelden het Sjamanisme als zijnde aan de oorsprong van geneeskunde.14  Michunovic15 gaat verder door te beweren dat alle culturen ontstaan zijn uit een vorm van Sjamanistische cultuur.  Het is voor hem dan ook onmiskenbaar dat de praktijken van de Sjamaan aan de basis liggen van de Chinese geneeskunde.  Net zoals de Sjamaan was het een bekend fenomeen dat Chinese artsen over een zekere mate van bovennatuurlijke krachten beschikten.  Eén van de belangrijkste ideeën binnen de Chinese geneeskunde is die van de Hemel – Mens – Aarde.  Wat volgens Eckman16  een concept is uit het Sjamanistische gedachtegoed.  Deze opstelling van ‘intermediator’ tussen hemel en aarde was de taak van de Sjamaan die in dat opzicht inderdaad over bovennatuurlijke krachten diende te beschikken gezien hij via communicatie met de geesten van boven en beneden onderhandelde over het lot van de patiënt.17  Over het wel of niet aanwezig zijn van dergelijke krachten bij een arts willen we hier niet verder uitweiden.  Wat we wel met zekerheid kunnen zeggen is dat een arts in vrijwel alle culturen breder geschoold diende te zijn dan enkel de kennis van lichaam of geest.  Volgens de traditie moest een arts een ware vriend zijn, een filosoof en gids in zowel het spirituele als materiële aspect van het leven van een zieke.18  Of zoals Marié19 het zo mooi verwoord: “er moet naast intellectuele kwaliteiten ook een mate van persoonlijke sensitiviteit ontwikkeld worden om de diepere betekenis te kunnen omvatten”.

De Sjamaan zou overigens wel eens de eerste acupuncturist kunnen zijn geweest.  In eerste instantie is er het oude karakter voor arts of ‘I’.   Dit wordt zowel door Eckman als door Schiffeler toegelicht.20  Het karakter bestaat nl. uit verschillende componenten.  Deze vertellen het verhaal van de Sjamaan die wapens (pijlen) gebruikt om de demonen die ziekte veroorzaken te vernietigen of te verdrijven.  Het karakter zou later overigens verandert worden en de taak – het dansen van de ‘Wu’ – werd vervangen door het teken voor wijn waarbij de toediening van medicinale dranken dus de bovenhand zou krijgen.  Volgens Eckman kwam dit met name door de dalende sociale status van de Sjamaan.

De oorspronkelijke vorm van acupunctuur zou dus mogelijks gebaseerd

zijn op het uitdrijven van geesten of demonen. 

Dat demonologie een rol speelt is niet ver-bazingwekkend als we ervan bewust zijn dat ziekte wel vaker werd gezien als zijnde veroorzaakt door het al dan niet toetreden van een demon of kwade geest in het lichaam.21 Zo werd er in 493 AD een Imperial Medical College opgericht met de departementen: Intern en extern, acupunctuur en moxibustie, massage en demonologie.22 Exorcisme was in dat opzicht een vorm van medische ingreep.  Volgens Eckman23 was dit aspect dan ook nooit onafscheidelijk van de beoefening van acupunctuur tot aan het begin van de 20e eeuw.  Het zou dan ook geen toeval zijn dat samen met de de-spiritualisatie van acupunctuur in het Communistische China ook de verbanning van Sjamanisme in Korea hand in hand ging.

Het zou echter te kort door de bocht zijn om nu te concluderen dat Chinese geneeskunde gebaseerd is op het uitvoeren van exorcisme door zijnde een bovennatuurlijk begaafde sjamaan.  Immers zoals Jackson24 benadrukt is geneeskunde nooit een monolitisch systeem van kennis en praktijken geweest maar werd het altijd al gekenmerkt door een levendige variëteit en pluraliteit van vormen.  Het ontrafelen van de geschiedenis van geneeskunde is altijd een zware opdracht gezien de medische theorie en praktijk immer gebed is in de sociale context waarbinnen hij is ontwikkeld.

In dat opzicht willen we graag de ontwikkelingen zoals beschreven door Schiffeler kort toelichten.  Niet alleen omdat het de bovenstaande opmerking op een beeldende manier weergeeft maar tevens omdat er vaak de discussie gaande is of Chinese geneeskunde nu wel of niet Daoistisch is.  Schiffeler begint de geschiedenis van de geneeskunde net zoals Unschuld overigens een pak eerder dan de meeste TCM tekstboeken die de oorsprong bij de Gele Keizer leggen.  Dit begin wordt gesitueerd in de Shang cultuur (Unschuld) of de Shang Yin dynastie (Schiffeler) die zich situeert tussen 1500 en 1027 BC.  Hierbij worden de ‘tolken’ ook genaamd de ‘Wu’ beschouwt als de sjamanen waar we het eerder over hadden, die de signalen van de natuur, de communicatie tussen hemel en aarde dienden te interpreteren om op die manier het welzijn van de stam en het individu te kunnen waarborgen.  De ‘Wu’ waren vrouwen en vertegen-woordigden het ultieme yin of vrouwelijke aspect; de Hsi waren mannen.  Zij waren de tovenaar-artsen van die tijd.  Verder kende men ook de meer bekende Fang-shih.  Gaandeweg ontstond er een splitsing tussen tovenaar-artsen en priester-artsen.  Dit gebeurde met name tijdens de Chou dynasty (1021-256 BC) die zich kenmerkte als de gouden eeuw van de filosofie.

Het was de tijd waarin de concepten van yin/yang, Wu-hsing en Tao ontstonden.  Inderdaad kort voor de Han dynasty (206 BC – 220 AC) – de grote bloeiperiode van de Chinese geneeskunde.  In termen van ontwikkeling van de Chinese volksgeneeskunde kende men twee grote stromingen25: de Tao-chia ofwel Taoïsten die gelinkt waren aan de tovenaar-artsen die zich met name interesseerden in de preservatie van het leven en het begrip van de onderliggende veranderingen in het leven.; en de Ju-Chia ofwel Confucianisten die zich bezighielden met ethisch en moreel gedrag van de mens.  Door de socio-politieke ontwikkelingen van de Chou dynastie kwam er een steeds grotere kloof tussen de twee stromingen.  De confucianistische tak zou zich verder ontwikkelen tot de meer ‘Traditionele Chinese Geneeskunde’ terwijl de Taoistische tak eerder op de achtergrond zou blijven als zijnde volksgeneeskunde.26  De drie grote legendarische figuren die aan de grondslag liggen van de Chinese geneeskunde, met name Fu-Hsi, Shen-nung en Huang-Ti worden dan ook beschouwd als zijnde Confucianistische artsen.  Hun werk reflecteert de sterke literaire achtergrond van de Confucianisten en hun aanleg om zich te richten op het etische en morele karakter van de mens.  Het Taoïstische aspect van de geneeskunde bleef echter dicht bij het volk, niettemin omdat deze tak ook vaak betaalbaarder was voor de gewone man.  Het nadeel was echter dat de Taoïstische tak van geneeskunde vaak in een slechter daglicht werd gesteld.  Niet alleen omdat het minder literair van aard was maar tevens omdat charlatans makkelijker hun weg vonden in de kringen van Taoïsten dan van de meer elitaire Confucianisten.

Bij het lezen van al deze veranderende aspecten in de ontwikkeling van Chinese geneeskunde is het erg begrijpelijk dat er veel verwarring heerst over wat Chinese geneeskunde nu wel en wat het niet is.  We zien dat reeds aan de wieg van de klassieke teksten zoals de Huang Di Nei Jing, er al sprake was van versplintering, van aftakking en verschil in mening.  Naast het feit dat geneeskunde zoiezo al bestaat uit een variëteit aan theorieën en praktijken lijkt het me dat veel discussie omtrent dit onderwerp vaak erg onproductief kunnen zijn.  Aan de ene kant is er de behoefte aan wetenschappelijk verantwoorde verklaringsmodellen, modellen die in ons beeld en onze manier van denken in te bedden zijn.   Langs de andere kant is er de groeiende interesse voor Daoïsme en het spirituele.  Deze twee ogenschijnlijk tegenstrijdige aspecten die een rol spelen bij de ontwikkeling van het moderne TCM verhaal maken het er zeker niet makkelijker op.  Maar meer inzicht in de geschiedenis en ontwikkeling ervan zouden alvast tot meer begrip moeten leiden in het respecteren van tegenstrijdige standpunten.

TV.

1.E. Mariél 2011—p. 11      2. Islam N. 2017 – p.40     3.Islam N. 2017—p.43      4. Jackson 2014     5. Jackson 2014—p.18     6.Jackson 2014—p.14      7. P. Eckman 1996—p.45     8.Michunovic 2018—p.3     9.Jackson 2014—p.16   10. Islam N. 2017—p.38    11. Jackson 2014 – p.13     12.Jackson 2014—p.20     13. Jackson 2014—p.14/19     14.Eckman 1996; Islam 2017; Jackson 2014; La Barre 1979; Michunovic 2018; Unschuld 1985     15. Michunovic 2018—p.2     16. Eckman 1996—p.41     17. Michunovic 2018—p.3; Vitebski 1995     18.Islam 2017—p.62     19. Marié 2011—p.9    20. Eckman 1996—p.45; Schiffeler 1976—p.26       21.Eckman 1996—p.43; Islam 2017—p.39; Jackson 2014— p.5/7/10; Michunovic 2018—p.3/6; Schiffeler p.18/24     22. Eckman 1996—p.72     23. Eckman 1996—p.45   24. Jackson 2014 – p.14    25. Schiffeler – p.28    26. Schiffeler—p.32

  • Bibliografie
  1. Eckman P.(1996) In the Footsteps of the Yellow Emperor; Cypress Book Company Inc.  San Francisco – US; ISBN 08351-2580-7
  2. Islam M.N. (2017) Chinese and Indian Medicine Today; Branding Asia – ISBN 978-981-10-3961-4
  3. Jackson M. (2014) The History of Medicine – A Beginner’s Guide; Oneworld Publications; ISBN 978-1-78074-520-6, eISBN 978-1-78074-527-5
  4. La Barre W. Ph.D. (1979) Shamanic Origins of Religion and Medicine. Journal of Psychedelic Drugs Vol. 11 (1-2) Jan-Jun.
  5. Marié E. (2011) The Transmission and Practice of Chinese Medicine. China Perspectives Centre d’étude francais sur la Chine contemporaine.  http://chinaperspectives.revues.org/5613 Electronic Version ISSN: 1996-4617 p.5-13
  6. Michunovic I. (2018) Origin of Chinese Medicine, Acupuncture and Moxibustion ; HSOA Journal of Alternative and Complementary & Integrative Medicine Vol.4 – Issue2 :100054
  7. Schiffeler J.W.M.(1976) The Origin of Chinese Folk Medicine; University of California, Department of the History of the Health Sciences, San Francisco, California.
  8. Unschuld P.U. (1985) Medicine in China – A History of Ideas; University of California Press, London, England; ISBN 0-520-05023-1
  9. Vitebsky P. (1995) De Sjamaan; Duncan Baird Publishers Singapore; ISBN 90-5764-729-X

MEER info over Chinese Medicine

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *